Latijn

In de loop der jaren ben ik verscheidene Latijnse termen tegengekomen.

De hier vermelde Latijnse termen worden veelal gebruikt in de Doop- Trouw- en Begraaf-boeken.


A

A

AFKORTINGEN

A : anno

A.C.: anno Christi

A.D.: anno Domini

aet.: aetatis

a.f.: alia fine

a.l.: alio latere

a.l.m.: artium liberalium magister

a.m.: ante meridiem

ampl.: amplissima / ..simus

a.r.d.: admodum reverendus dominus

a.u.s.: actum ut supra

 

a, ab: van, van der

a dato: van de dag af

a dessein: naar een ontwerp

a dorso: op de rugzijde

a iuduce ex officio supplicans: aan de rechter op grond van diens ambt verzoekende

a lapide: door een steen

a me pastore baptizatus: door mij pastoor gedoopt

a navitate:  sinds de geboorte

a priori:  van te voren

ab obstetrice baptisatus est:  gedoopt door de vroedvrouw

ab infantia:  vanaf zijn kinderjaren

ab instantia absolvere:  van het ten laste gelegde vrijgesproken

ab intestato: (erfgenaam) bij gebrek aan testament

abamita: zuster van de betovergrootvader, ook wel van de overgrootvader of van de grootvader

abavia: betovergrootmoeder

abavunculus: broer van de betovergrootmoeder, ook wel van de overgrootmoeder of de grootmoeder

abavus, abavia: betovergroot vader, betovergrootmoeder (alg.): voorouder, voorzaat, voorvader, voormoeder

abba(s), abbatis: abt

abbatia: abdij, overste van een vrouwenklooster

abbatissa: abdis, overste van een vrouwenklooster

abbatiael cachet: (<Lat. abba) abtszegel

abbatiola: kleine abdij

abenarius faber: ketelmaker, ketelslager, ketelsmid, ketellapper,blikslager

ab hoc et ab hac: van de hak op de tak, verward, in het wild praten

abierunt: zij zijn vertrokken

abiit: hij/zij is vertrokken

ab infantia: vanaf zijn kinderjaren

ab intestato: bij versterf (erfopvolging zonder testament) zonder testament nagelaten te hebben

abjectarius: schrijnwerker, meubelmaker, timmerman, houtsnijder, beeldsnijder

ablutus: gezuiverd, gewassen (door het doopsel)

abmatertera: zuster van de betovergrootmoeder

abnepos: zoon van de achterkleinzoon

abnepotes: afstammelingen,   nakomelingen

abneptis: dochter van de achterkleinzoon

abnurus: vrouw van de achterkleinzoon

ab abstetrice baptisatus est: is gedoopt door de vroedvrouw

abortivus: abortius, te vroeg geboren

abpatruus: broer van de betovergrootvader

abreptus: weggenomen

abrogatio: intrekking, afschaffing, opheffing der wet

absente: in afwezigheid van

absente corpore: (lijkdienst) zonder lijk

absente corpus: lijkdienst zonder lijk

absoluta et extrema unctione munitus: voorzien van absolutie en laatste oliesel

absoluta munitus: de absolutie verkregen hebben

absolutio: absolutie

absolutio pura: algehele vrijspraak

absolvere: vrijspreken

absque: zonder

absque dubio: zonder twijfel

abusive: ten onrechte

ac: en

acatholicus (vrw.-a): niet‑katholiek

accepti: heeft aangenomen

accepto ..., ontvangen

accepto necessitatis baptismo ab obstetrice: na het ontvangen van de nooddoop door de vroedvrouw, omwille van de noodzaak de doop gekregen van de vroedvrouw

acceptus: ontvangen hebben

accipere: aanvaarden

accisor: ontvanger van de onrechtstreekse belastingen (accyns‑ verbruiksbelasting)

accorderen: (<Lat. accordare) overeenkomen, een overeenkomst sluiten, overeenstemmen

accusant: (Lat. accusare) de procespartij die haar tegenpartij van contumacie (verstek) beschuldigt

accusare: (van contumacie) beschuldigen

aciscularius: steenhouwer, steenkapper

acquirere: in bezit krijgen, zich eigen maken, verkrijgen

acta: handelingen

actie: (Lat. actio) recht tot het instellen van een vordering, voortkomende uit eigendom of een ander zakelijk recht of uit een verbintenis

actionarius: handelaar, koopman, venter, winkelier

actie bannis: na de huwelijksafkondigingen, roepen, bannen

actuarius: bedrijfsleider, overheidsklerk, griffier

actum: akte; behandeld (op een bepaalde datum); geschied, gedaan

actum approbationis: akte van goedkeuring

actum consentionis: akte van toestemming

actum et subsignatun: akte van ondertekening; behandeld en ondertekend

actum in communi forma: akte in de gewone vorm

actum in forma: formeel geschrift

actum infra: onder de akte

actum ut supra: datum als voorgaande; op datum boven in de akte vermeld, akte als boven

acuciator: slijper; wetter

acufex: naaldenmaker

acuminator: slijper, wetter

acupictor: borduurder; zijdeborduurder; -werker; -wever

ad: naar; tot; bij

ad aeternitatem transiit (abiit): ging naar de eeuwigheid

ad definitivam usque: tot aan het eindvonnis

ad domum: aan huis (bij een gerechtelijke aanzegging of dagvaarding)

ad finem litis: tot het eind van het proces

ad hoc: tot dit (doel)

ad hunc actum requisitis: gevraagd voor het opmaken van deze akte; voor deze akte geroepen

ad libitum: naar welgevallen; naar goedvinden

ad limina: voor de bisschoppen voorgeschreven bezoek om de 3 à 10 jaar

ad litteram: letterlijk

ad matrimonium inscripti: ingeschreven voor het huwelijk

ad merum usum: voor zuiver gebruik

ad ocot: tot over acht (dagen)

ad oculum: bij ogen; met het oog;voor het oog

ad pactum: bij het verdrag

ad Patres: naar de Vaderen gegaan; naar het dodenrijk gegaan

ad perpetuam memoriam: ter eeuwige nagedachtenis

ad primam: op de eerstvolgende (rechtsdag)

ad solemnizationem huius actus requisitis: gevraagd voor het opmaken van deze akte; akte gevraagd

ad tempus: tijdelijk

ad tempus vitae: levenslang

ad triduum: tot over drie dagen

ad ulteriora: verder gaan met de procesvoering

ad usem: volgens gebruik

ad valorem: berekend naar de waarde; overeenkomstig de waarde

ad verbum: woordelijk; woord voor woord

ad vitam: levenslang; op het leven (bijv, bij rente)

ad vocem: bij het woord opzoeken; bij het woord te vinden

ad vota secunda: bij; tot de tweede belofte (nl. het huwelijk)

adamita: zuster van de betovergrootvader

adavunculus: broer van de betovergrootmoeder

adcensus: belasting op verbruiksgoederen

adde: tel op;voeg toe

additionaal: (<Lat. addere) toegevoegd

(ad)instar: even groot; gelijkend

adiudicare: toewijzing bij openbare verkoop; aanbesteding; toekenning

admatertera: zuster van de betovergrootmoeder

administratis sacramentis: met de sacramenten bediend

administratus: bediend

admittere: toegeven; toelaten

admodum: zeer

admodum reverendus: (tit.) zeer eerwaarde

adnepos: zoon van een achter-achter-kleinkind

adneptis: dochter van een achter-achter-kleinkind

adolescens: ongehuwde jongeling/jonge dochter (tussen 15 & 30 jaar); ongehuwd; echteloos

adolescentula: jong meisje; maagd

adolescentulo: voor het jongetje

adolescentulus: jongetje; knaapje

adoptivus: door adoptie tot stand gebracht

adpatruus: broer van de betovergrootvader

adpendere (ap- & dependentiën): toebehoren; met al wat er toebehoort

adscriptus glebae: lijfeigene, bij de grond gerekend (Lat.: gleba=aardkluit, grond)

adsistent: helper; politie, diender

adstitit: was aanwezig

adulescens: zie adolescens

adulescentula: zie adolesculentula

adulescentulus: zie adolesculentulus

adulescentulo: zie adolesculentulo

adulta / adultus: (bn) opgroeiend; tamelijk volwassen

adulta virgo: volwassen jong meisje

adulter: (bnw) overspelig

adulterio natus: uit overspel geboren

adulterium: echtbreuk

adulta / adultus: volwassen

adumbrator: tekenaar; silhouettist

adventivus: bruidschat (gegeven door een ander dan de vader)

advocatus: advokaat

aedilis: kerkmeester

aedituus: koster; klokluider; godsdienstonderwijzer; kerkmeester; beheerder van het kerkelijk vermogen

aegritudine quadam: door een of andere ziekte

aegrota / aegrotus: ziek

aegrota per .., dies: na een ziekte van .., dagen

aegrotavit: was ziek

aegrotus (vrw. -a): ziek

aegrum: ziek, zwak

aequali gradu: in gelijke graad (van bloed- of aanverwantschap)

aequalis: gelijk

aerarius: kopersmid; koperslager; roodkoper; kopergieter; schatmeester; schatbewaarder; kassier; oorspronkelijk thesaurier; financieel beheerder

aestimatio: schatting

aetas: leeftijd

aetatis: oud, in de leeftijd van ...

aetatis annorum: jaren

aetatis dierum: dagen

aetatis hebdomadorum: weken

aetatis horarum: uren

aetatis mensium: maanden

aetatis provectae: op gevorderde leeftijd

aetatis septimanarum: weken

aetatis suae...: in de leeftijd van ...

aeternum: voor eeuwig; eeuwigheid

affidati: ondertrouw, verloofden

affines: verwanten aan vrouwelijke zijde

affinis: huwelijk met de kinderloze weduwe van iemands broer, zwager, (alg.) aanverwant, aangehuwde, (bn) aanverwant, aangehuwd, verzwagerd

affinitas: aanverwantschap, zwagerschap, verzwagering, verwantschap of vermaagschapping door aanhuwe1ijking

affinitatis: van de zwagerschap

ager: veld, akker

ager novalis: braakland; omgeploegd land dat men onbebouwd laat liggen

agere: doen, handelen

agere (porcos): varkens hoeden

agicessatio: braakliggend

agnata: bloedverwant van moederszijde

agnatio: bloedverwantschap van vaderszijde

agnatus (vrw.-a): verwant van vaderskant, verwant in mannelijke linie

agnitio: erkenning (van een onwettig kind)

agnomen: bijnaam

agrarius: landbouwer, landman, akkerman, boer, buitenman

agrestis: landbouwer, landman, boer, akkerman, buitenman

agricola/agricole: landbouwer, akkerman, boer, landman

agricolae: boeren

agricultor: landbouwer, landman, boer, akkerman, buitenman

agricultura: akkerbouw, landhuishoudkunde

agynus: (<Grieks) man zonder vrouw

alegenus: (<Grieks) geboren in den vreemde

alia fine: aan het andere einde

alias N...: anders genoemd, anders geheten, anders gezegd

alibi: elders

aliegenus (vrw. -a): geboren in den vreemde

alienigenus:  buitenlander

alienuin (corpus): vreemd element

alii(s) et alii: sommigen ... anderen

alio latere: aan de andere zijde

aliquis (vrw.aliqua): iemand, een of andere

aliquot: enige

aliunde: van elders

alius: ander

allegatus est pro patre: aangewezen is als vader

allodium: is volle uitsluitende eigendom van de bezitter, zonder enige leenplicht

alpha et omega: van a tot z, van het begin tot het einde

altare: altaar

alter: een andere

altera: de een, de ander, andere (vr.enkelvoud, onz, meervoud)

altera die: de dag daarna, de andere dag

alumna: pleegdochter

alumnus: pleegzoon, leerling, discipel, beursstudent

allutarius: zeemtouwer, wit looier, bereiden van zacht leder, leerlooier, lerenschoenenmaker

ama: aam, oude wijnmaat

amatina: tantesdochter van vaderszijde (volle of eigen nicht)

amatinus: tanteszoon van vaderszijde (volle of eigen neef)

ambio extranix: buiten komende, die één paar vormen

ambo: beiden

ambo hic nati: beiden hier geboren

ambo parochiani: beiden van deze parochie

amens: krankzinnig

a me pastore baptizatus: door mij pastoor gedoopt

amica: vriendin, verwant, aanverwant, (bn) vertrouwd, vertrouwelijk, trouw

amicus: vriend, verwant, aanverwant, (bn) vertrouwd, vertrouwelijk, trouw

amicitia: vriendschap, ook (bloed)verwantschap, ook gilde

amita: tante van vaderszijde, vaderszuster

amita magna: groottante van vaderszijde

amita major: zuster van de overgrootouders

amita maxima: zuster van de betovergrootouders

amitina: tantesdochter van vaderszijde

amitini: tanteskinderen van vaderszijde

amitinus: tanteszoon van vaderszijde

amitinus magnus: kleinzoon van de zuster van de grootvader

amplissima / amplissimus: (tit.) hoogaanzienlijk, hooggeëerd

ampullarius: flessenmaker, flessenblazer

an: of (in vraagzin)

a nativitate: sinds de geboorte

ancellator: vogelvanger

ancilla: dienstmaagd, meid,- dienstmeid, dienstbode, dienstmeisje, jonge vrouw

ancilla nutriens: voedster, zoogster

anilitas: ouderdom, hoge leeftijd (van vrouwen gezegd)

aninam sud creatori reddidit: gaf zijn ziel terug aan zijn Schepper

annalis: één jaar oud, jaarlijks

annexis: met bijbehoren

anniculus: slechts één jaar oud

anniversarium: (ver)jaardag, jaargetijde (jaarlijkse herdenking van een overledene)

anno: in het jaar

anno aetatis (suae) 12: in het 12e jaar van zijn leven, 12 jaren oud

anno Christi: in het jaar Christus

anno Domini: in het jaar van de Heer

anno eodem ut supra: in het zelfde jaar als boven, aan de leeftijd als hierboven

anno et die ut supra: jaar en dag als boven

annonarius: graanhandelaar, korenhandelaar

annorum: in de leeftijd

annuatim: jaarlijks

annum: jaar

annum sequentum: volgend jaar

Annuntiatio: Maria Boodschap, 25 maart

annus: jaar

anonimus (vrw. -a): naamloos

ante: voor (van tijd of plaats), voorheen, vroeger

ante diem pridie: eergisteren

ante interlocutoir, zie ante interlocutorium sententiam

ante interlocutorium sententiam: de fase van de procedure voor het tussenvonnis, waarbij aan beide partijen nader bewijs van hun stellingen wordt opgelegd. N.B. door dit speciale tussenvonnis wordt de procesgang in tweeën verdeeld, waardoor men spreekt van het procxes ante interlocutoriam en het proces post interlocutoriam

ante meridiem: voormiddag

antea: vroeger, te voren

antecessor: voorganger, voorouder, voorzaat, voorvader

antedictus: voornoemde

antenatus: stiefzoon (waarvan de vader overleden is)

ante nuptiael (nuptiale): huwelijkse voorwaarden

antesignanus: (mil.) sergeant‑majoor, opperwachtmeester

anticipatie: (<Lat.anticipere) het vooruitlopen op iets

antiqui: voorouders, voorvaderen

antiqua / antiquus: (bn) oud, bejaard,   (mv) voorouders, voorzaten, voorvaderen

anus: oude vrouw

anus antiqua: oude vrouw, oud, bejaard

anus vetula: oude vrouw

apiarius: imker, ijmker, bijenhouder, bijenteler, bijker bijenboer

apoplexia: beroerte

appartinentiis: met toebehoren

appelleren: (<Lat. appelare) in beroep gaan

appoin(c)tement: (<Lat. adponere) beschikking op een verzoek, vaak in de kantlijn gesteld

appoin(c)teren: (<Lat. adponere) beschikken, beslissen

appraehendere: in hechtenis nemen

appraehensio: in hechtenisneming

approbatio: goedkeuring

approbatione: met goedkeuring

approbare: goedkeuren

apricator: bleker

aprilis: april

apud: bij, voor

apud acta: bij volmacht

aqua: water

aqu abo jolus: koster

aquarius: bronmeester, opzichter over fonteinen en waterwerken, waterdrager

arator: akkerman, landman, landbouwer, ploeger

arbalista: (mil.) slingeraar, slingerschutter

arbitrale correctie: (<Lat. arbiter) straf waarvan de maat aan de rechter wordt overgelaten

arborator: boomkweker

archiater: arts, geneesheer, lijfarts, eerste geneesheer (in ziekenhuizen), Officier van de gezondheid, ook deken van de medische faculteit

archidiaconus: aartsdiaken

archiepiscopus: aartsbisschop

arcularius: schrijnwerker, meubelmaker, boogmaker

area: hofstede, haardstede, huis, haard, erf, binnenplaats, dorsvloer

argentarius: zilversmid, bankier, (geld)wisselaar

arma: wapens

armentarius: koedrijver, veedrijver, koeherder, koewachter

armigar: schildknaap

armiger: gewapende, wapendrager, page, edelknaap, schildknaap

armis: onder de wapenen

aromatopola: specerijenkoopman, kruidenier, drogist, apotheker

arrest: (<Lat. adrestare) beslaglegging

arrestant: (<Lat. adrestare) degene die beslag laat leggen

arresteren: (<Lat. adrestare) ingevolge bevelschrift beslag leggen

articulen: (<Lat. articuluc) punten waruit de ingediende schriftelijke processtukken bestaan; vandaar ook benaming voor zulke puntsgewijs gestelde stukken

articulo mortis: op het ogenblik van het sterven

artifex: ambachtsman, handwerker

artista: artiest, handwerker, ambachtsman

artium liberalium magister: meester in de vrije kunsten (ongeveer gelijk te stellen met drs. in de letteren en wijsbegeerte)

ascendens: (bn) voorgaand, opgaand, opklimmend

Ascensio Domini: Hemelvaartsdag

assator: kook in een gaarkeuken, gaarkok, gaarkeukenhouder

asserens se nominari N....: die beweert te heten N...

asserere: bekennen, bevestigen

assertione matria (ex‑): volgens de verklaring van de moeder

asseruere: bekennen,    bevestigen

asseruit: heeft bekend, hij bekent bv, de vader te zijn

assessor: bijzitter, lid van het grietenijgerecht

assignat: hij/zij wijst aan, wijst toe

assignatus: gevolmachtigde

assisia: onkosten die men betalen moet bij een openbare verkoping, belasting vooral op levensmiddelen, verterings- en gebruiksbelasting

Assumptio Mariae: Maria ten Hemelopneming, 15 augustus

astans: de aanwezige

astantibus: aan de (bij een doop soms) aanwezigen

astare: erbij staan, aanwezig zijn (bijv. bij een doop)

astavia: grootmoeder van de overgrootmoeder, bedoudovergrootmoeder

asthmate: door asthma

asthmaticus: asthmalijder

astrologus: sterrenkundige, sterrenwichelaar

atamita: zuster van de betovergrootvader

atavia: grootmoeder van de overgrootmoeder, bedoudovergrootmoeder

atavunculus: broer van de betoudovergrootmoeder

atavus: grootvader van de overgrootvader, betoutovergrootvader

atmatertera: zuster van de betoudovergrootmoeder

atnepos: kleinzoon van de achterkleinzoon

atneptis: kleindochter van de achterkleinzoon

atpatruus: broer van de betoudovergrootvader

atque: en

attestatie: (<Lat. attestatio) getuigenis, getuigenverklaring

attestatio de vita: bewijsschrift van leven, getuigenis, levensbewijs, getuigschrift

attesteren: (<Lat. attestare) getuigen

attingens: bereikend (van een leeftijd)

aucellator: vogelaar, vogelvanger, valkenier

auctor delicti: hij die de misdaad begaan heeft

auf(f)ugere: vluchten

augusti: augustus

augustus: augustus

aurifaber: juwelier, goudsmid, zilversmid

aurifex: goudsmid

aurifodinarius: goudgraver, putjesschepper

auriga: voerman, wagenbestuurder, wagenknecht

autem: echter

avi: grootouders

avi pater: overgrootvader

avia / ava: grootmoeder

avia materna: grootmoeder van moederszijde

avia paterna: grootmoeder van vaderszijde

avitus: (bn) grootvaderlijk

avuncula: tante vanmoeders zijde  (moederszuster), behuwdtante (vrouw van moeders) broeder

avunculus: oom van moederszijde (moedersbroeder), behuwdoom van moederszijde (man van moeders'zuster)

avunculus magnus: oudoom, grootmoedersbroeder

avunculus major: overgrootmoeders'broer

avunculus maximus: broer van de betovergrootmoeder

avus: grootvader (alg.) voorouder, voorzaat, voorvader, oude vrouw

avus maternus: grootvader van moederszijde

avus paternus: grootvader van vaderszijde

Als basis heb ik het door de VVF uitgegeven boekje gebruikt.

Verder aangevuld met informatie uit het boek “Latijn, bij genealogisch onderzoek”, (samengesteld door P.J.W. van den Berk en bewerkt door Mariëlle van den Berk. Uitgave van het CBG uit 1997